Ome Toon: Een eenzaam mens is nooit alleen!

ome toon - een eenzaam mens is nooit alleen

Ome Toon

Hoewel ik nooit geen kinderen heb gehad noemt iedereen mij Ome Toon. Ik ben geboren in Tilburg. De stad van de sigaren. Tilburg lag letterlijk onder de rook van de sigarenfabrieken van Willem II.

Ik ben van 1920. We hadden een groot gezin thuis. Ik ben een van de zeven. Bij ons thuis hadden ze een sigarenwinkel. Behalve sigaren verkochten wij ook shag en sigaretten. De meeste soorten leverden wij direct uit voorraad. Maar als ze merken wilden hebben, die wij niet hadden, dan werd dat voor ze besteld. Vaak brachten wij de bestelling dan thuis. Na deze voor mij vrij zorgeloze tijd kwam de crisis van de jaren dertig. Met de crisis kwam de klad in de sigarenhandel. De mensen kochten geen rookgerei meer. De beste Willem II’s kon je aan de straatstenen niet meer kwijt. En sigaren weggeven doe je niet. Daar heb je niets aan. Dan kun je ze beter zelf oproken. Dat hebben wij toen ook gedaan. We hebben de hele voorraad opgerookt.

Crisis

Toen de crisis voorbij was, brak de oorlog uit. Ik had net een baan bij de krant. Daar werkte ik als bezorger. Elke ochtend om 4 uur op. Eerst sorteren, en daarna bezorgen. Maar de Duitsers hadden de krant al snel verboden en ik was weer werkeloos.

In die tijd is mijn moeder overleden, en mijn vader, die was al dood. Ik had toen niemand meer. Dat heeft mij in die tijd een eenzaam mens gemaakt. Maar ja, achteraf zeg ik, een eenzaam mens is nooit alleen. Want, weet je, ‘s ochtends kwam altijd de postbode. Ik vond het altijd fijn als hij kwam. En ook als hij niets in de bus deed, dan had je hem toch zien lopen.

Ome Toon slaat zijn vleugels uit

Toen de oorlog afgelopen was, heb ik geprobeerd bij de post te komen. Dat is niet gelukt. Ik ben toen de handel ingegaan. Maar, dat werd niets. Als ik gouden handel dacht te hebben, bleek vaak dat ik het te duur of in te grote hoeveelheid had ingekocht. Dan had je twee mogelijkheden: Of – je bleef er mee zitten – of – je kon het tegen verlies verkopen. Als je iedere keer je verlies moet nemen, dan hou je het uiteindelijk niet lang vol.

De huwelijksjaren van Ome Toon

Toen ik de huur niet meer kon betalen ben ik verhuisd naar een pension. Veel spullen had ik niet, dus dat was zo gebeurd. Daar heb ik mijn vrouw leren kennen. Ze was toen mijn hospita. Toen ik daar kwam was ze al jaren weduwe. Kinderen had ze niet. Die kon ze niet krijgen. Ze was wel wat ouder dan ik, maar ze kookte best en je had wat aanspraak. Nou ja, aanspraak, soms werd je compleet van de sokken geluld. Maar dat wende wel.

Niet luisteren, dat was het beste. Gewoon op zijn tijd -ja- en -nee- zeggen. Op een zeker moment weet je gewoon of het een -ja- of een -nee- moest zijn. Een enkele keer liep ik helemaal uit de pas. Dan waren de rapen gaar en kon ze vreselijk boos worden. En als ze boos was, nou dan kon je maar beter zorgen dat je uit de buurt bleef. Ze kon wel meer dan een week kwaad blijven. Als we dan in bed lagen, lag ik weer tegen haar rug aan te kijken.

Mijn vrouw is niet oud geworden. Slechte longen. Dat kwam door het roken. Toen ik haar leerde kennen rookte ze niet. In het begin kusten we elkaar vaak. Later werd dat minder. Ik had nogal last van slechte adem. Als ze me kuste moest ze altijd aan het uitlikken van asbakken denken zei ze. Nou dat klopte ook wel, want ik was een zware roker in die tijd. Later ging ze ook roken. Toen had ze er geen last meer van. Vanaf dat moment werd onze relatie ook beter.

Het was wel gezellig samen roken, maar ze kon er niet goed tegen. Ze hoestte zich werkelijk een ongeluk. Haar laatste jaren waren niet best. Longemfyseem. Op het eind kon ze niet veel meer. De laatste jaren zat ik meer op de longafdeling van het ziekenhuis als thuis. Maar hoe ziek die patiënten ook waren, ze rookten allemaal. Sterker nog, ze staken de ene sigaret met de andere aan. Mijn vrouw is dan ook bijna rokend en al de kist in gegaan.

Bejaardenhuis

Toen mijn vrouw overleden was, ben ik het bejaardenhuis in gegaan. Dan wordt er tenminste nog voor je gezorgd had ze gezegd. Ze had gelijk. Ik heb het goed hier. Het eten is hier goed, en in de gang, bij de portier, is een winkeltje waar ze sigaren verkopen. Verder hou ik altijd de post in de gaten. De post breng ik altijd rond. Zo zie je maar. Het leven loopt zoals het loopt. Ik heb nergens spijt van. Het enige wat ik jammer vindt, is dat ik nooit geen postbode ben geworden.